Universiteiten krijgen eigen 4G-netwerk

Studenten in Utrecht kunnen begin volgend jaar(2012) gebruik maken van 4G-Internet. Het 4G-netwerk maakt onderdeel uit van een pilot van SURFnet en KPN.

SURFnet en KPN rollen begin volgend jaar het 4G-netwerk uit op het Utrecht Science Park. Tientallen studenten worden in het proefproject voorzien van mobiele apparaten die 4G ondersteunen.

Het ‘Nieuwe Leren’

In de pilot wordt de mobiele breedbandinfrastructuur van KPN, op basis van eduroam authenticatie, gekoppeld aan de netwerkinfrastructuur van SURFnet en aan de Wi-Fi-netwerken van de instellingen. KPN is begonnen met de installatie van de 4G-zendmasten op de campus, waar de Universiteit Utrecht, Hogescool Utrecht en Universitair Medicsche Centrum Utrecht zitten.

“We willen met het project nagaan welke meerwaarde LTE het onderwijs kan bieden. Met het ‘nieuwe leren’ blijft onderwijs niet beperkt tot de collegebanken, maar gebeurt het ook op andere plekken. Hiermee creëren we een access-laag buiten de gebouwen, waarmee aan de grotere behoefte aan breedband voldaan wordt”, zegt SURFnet-woordvoerder Eric van der List tegen Webwereld.

Hardwareprobleem

Welke 4G-apparaten zullen worden gebruikt is nog onduidelijk, zegt Van der List. “Het blijkt lastig om devices te krijgen die werken op de frequentie van KPN. KPN zendt 4G op de 2,6 GHz frequentie uit en het is lastig om daar hardware voor te vinden. Die kan je niet zomaar in de winkel kopen.”

Begin volgend jaar wordt de onderwijsinstelling gekozen die de studenten gaat inzetten voor de proef. Van der List: “We zijn nog in onderhandeling welke onderwijsinstelling de pilot gaat uitvoeren.” De instelling rust daarvoor tientallen studenten uit met 4G-apparatuur, gezien de huidige mobiele apparaten niet om kan gaan met 4G.

Honderden studenten

“Gedacht moet worden aan groepen studenten die bijvoorbeeld een opdracht buiten moeten doen, maar daar denken we samen de instelling nog over na”, vertelt Van der List. Wanneer het project goed verloopt hoopt SURFnet honderden studenten te betrekken in het project, zodat een zoveel mogelijk data wordt verzameld voor analyse.

Gepubliceerd: Donderdag 22 december 2011
Auteur: Sebastiaan Bareman

Voor het nieuwe mobiele netwerk worden draadloze netwerken zoals UMTS, WiFi en het nieuwe LTE geïntegreerd met het netwerk van SURFnet. Dit netwerk is gebaseerd op Eduroam, dat hiermee voor het eerst een vertaling naar mobiel internet krijgt. “We hopen dat de overgang tussen de verschillende netwerken voor gebruikers zo naadloos mogelijk gaat”, zegt productmanager Maurice van den Akker (SURFnet) tegen Webwereld.

Eind dit jaar beginnen KPN en SURFnet met de uitrol van het netwerk op een Nederlandse campus. Die eerste opstelling moet duidelijk maken wat de meerwaarde van een LTE-netwerk is voor een onderwijssector. “We gaan nu kijken welke universiteit het beste matcht met het project. Ook voor de universiteit betekent het project namelijk extra inspanning,” zegt Van den Akker.

Het project wordt vervolgens bij een tweede campus uitgerold. Van den Akker: “Hierbij kunnen we een andere opzet kiezen om te kijken naar de beste aanpak. Ook willen we bekijken of een gebruiker van de ene campus naadloos gebruik kan maken van het mobiele netwerk op de andere campus.”

‘Vooral buiten’

Het 4G-netwerk zal draaien op de 2,6 GHz-frequentieband. Volgens Van den Akker is het verschil met de 800 MHz-frequentie onder andere het grotere bereik. “Een 2,6 GHz-frequentie geeft met name indoor een probleem. Ons netwerk zal daardoor voornamelijk buiten de gebouwen beschikbaar zijn”, stelt hij.

Gebruikers zullen in het project niet gebonden zijn aan datalimieten, zoals telecomproviders momenteel opleggen aan hun klanten. “We willen zo duidelijk mogelijk inzichtelijk hebben hoe het netwerk gebruikt gaat worden. Databeperking is daarbij niet logisch”, zegt Van den Akker. SURFnet stelt de bevindingen over het eigen mobiele netwerk publiekelijk beschikbaar

Proeftuin supersnel mobiel internetten voor Hoger Onderwijs en Onderzoek

Utrecht, 21 oktober 2011– KPN en SURFnet hebben vandaag een overeenkomst gesloten voor gezamenlijk onderzoek naar betere integratie van mobiele netwerken op internet en de invoering van de nieuwe generatie internet adressen (IPv6).

Zij willen samen kennis en ervaring opdoen met de mogelijkheden van nieuwe, zogenaamde 4e generatie, mobiele netwerken. Ook willen ze samen een extra stimulans geven aan de invoering van de nieuwe generatie internet adressen (IPv6) in Nederland.

Mobiele netwerken
Mobiele communicatie speelt een steeds belangrijker rol in het hoger onderwijs en onderzoek. Voor het nieuwe werken en leren is een onbeperkte en hoogwaardige toegang tot het internet van groot belang. SURFnet en KPN gaan onderzoeken hoe draadloze netwerken zoals UMTS, Wi-Fi en het nieuwe LTE daartoe beter kunnen worden geïntegreerd met het SURFnet-netwerk en daarmee ook het internet. Nog voor het einde van dit jaar wordt een eerste pilot opgezet waarbij de mobiele breedbandinfrastructuur van KPN, op basis van eduroam authenticatie, zo naadloos mogelijk wordt gekoppeld aan de netwerkinfrastructuur van SURFnet en aan de Wi-Fi netwerken van de universiteiten die in het onderzoek meedoen. SURFnet en KPN willen hiermee kennis en ervaring opdoen met het gebruik van nieuwe mobiele netwerken in onderwijs en onderzoek.

Beide partijen geloven in de voordelen van het nieuwe werken en leren waarin studenten en onderzoekers overal en altijd op hun manier kunnen leren en samenwerken. Mobiele netwerken kunnen hieraan bijdragen door studenten en medewerkers bij Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek op een eenvoudige, veilige en vertrouwde wijze toegang te geven tot moderne ICT-toepassingen. Vooral met het nieuwe LTE-netwerk, met zijn veel hogere snelheden en kortere aanmeldtijden, zal daarbij een flinke sprong voorwaarts kunnen worden gemaakt. De gebruikersgroep van SURFnet is altijd uitermate geschikt gebleken om een voortrekkersrol te spelen bij de invoering van nieuwe netwerkdiensten. Het internet zelf is hiervan het bekendste voorbeeld.

IPv6 – de nieuwe generatie internet adressen
SURFnet stimuleert al jaren het gebruik van IPv6 bij kennisinstellingen in Nederland en daarbuiten. Het SURFnet-netwerk ondersteunt IPv6 al sinds 2001, maar veel instellingen en bedrijven zijn nog niet zo ver. Inmiddels wordt de overgang naar IPv6 urgent, aangezien de IPv4 adressen bijna op zijn. SURFnet en KPN willen de implementatie van IPv6 daarom versnellen. Om een snelle en gedegen overgang ook voor KPN mogelijk te maken zal SURFnet, via het RIPE NCC, een reeks IPv4 adressen aan KPN overdragen om zo een belangrijke stimulans te geven aan de noodzakelijke tijdige invoering van IPv6 in Nederland.

De resultaten van het onderzoek zullen voor algemeen gebruik beschikbaar zijn.

Achtergrondartikel

Van oudsher is SURFnet de aanjager van netwerkontwikkelingen, vanuit de vraag van haar klanten: hoger onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Mobiele devices spelen een steeds belangrijker rol in het hoger onderwijs en onderzoek. Voor het nieuwe werken en leren is een onbeperkte en hoogwaardige toegang tot het internet van groot belang. Door allianties aan te gaan, zoals met KPN, kan SURFnet haar rol als aanjager van innovatie blijven vervullen.

Consumerization
Het verschijnsel dat mensen altijd en overal op hun eigen devices willen werken, ook wel consumerization genoemd, zorgt voor de nodige hoofdbrekens bij kennisinstellingen. Zowel voor wat betreft de nieuwe mogelijkheden die worden geboden, als de (beheer)lasten. Studenten, medewerkers, en ook bezoekers nemen gemiddeld drie devices per persoon mee die continu online moeten zijn. Elk apparaat heeft een andere functie: op het ene kun je goed video kijken, op een ander aan documenten werken, met een derde telefoneren en je sociale contacten onderhouden. Feit is dat voor alle apparatenveel bandbreedte wordt gevraagd. De kennisinstellingen moeten daarom steeds meer draadloze, breedbandige verbindingen bieden, en rekening houden met de mobiliteit van de eindgebruikers. Wordt in week X veel samengewerkt op plek Y, in maand Z kan dit geheel anders zijn. De uitdaging waarvoor de netwerkbeheerder zich geplaatst bevindt zich niet alleen binnen de gebouwen van de instelling, maar ook daarbuiten. Tijdens het reizen tussen huis en campus, tussen gebouwen van de campus onderling, bij veldonderzoek en in het buitenland: als lid van de SURFnet doelgroep moet je zonder zorgen connectiviteit genieten. Immers, verbonden zijn met peers, naslagwerken, beeldmateriaal, databases en eigen documenten is essentieel voor onderzoek en innovatie.

Bottleneck
SURFnet vervult al bijna 25 jaar een leiderschapsrol op het gebied van netwerkinfrastructuur voor onderwijs en onderzoek in Nederland, met als doel de kwaliteit van onderwijs en onderzoek te verbeteren. Het wegnemen van beperkingen in bandbreedte en netwerktoegang zijn daarbij de belangrijke speerpunten. In het verleden bleek de bottleneck bij netwerken soms in de core van het netwerk te liggen en soms in de access-laag. Door het belichten van een eigen glasvezelnetwerk zijn er vrijwel geen problemen meer met de core en de invoering van eduroam maakt toegang tot het draadloze netwerk gemakkelijker, waarmee een bottleneck in de access-laag is weggenomen. Echter, door consumerization is de vraag naar mobiele bandbreedte toegenomen en daarmee gaat de mobiele access-laag opnieuw een bottleneck vormen. In de gebouwen raken Wi-Fi-netwerken overbelast en moet continu capaciteit worden uitgebreid en verplaatst. De kennisinstellingen werken hier met man en macht aan. Tekort aan gekwalificeerd personeel en de –door bezuinigingen– beperkte middelen voor het inhuren van kennis van buiten afhouden de voortgang echter beperkt. Buiten de gebouwen is er veelal weinig dekking van mobiele (3G/UMTS) netwerken beschikbaar en breedband toegang is zeker niet aanwezig. Telecom providers zetten bovendien barrières op om netwerkgebruik af te remmen, zeker in het buitenland. Gebruikers moeten continu bewust zijn van connectiviteit, uit angst voor een hoge (data)rekening aan het einde van de maand. Deze factoren leggen een enorme rem op innovatie voor onderwijs en onderzoek. Mobiliteit is geweldig, maar zet ons qua connectiviteit en betrouwbaarheid een grote stap terug in de tijd.

Innovatie aanjagen
De ontwikkelingen gaan voor SURFnet én niet snel genoeg én niet in de juiste richting. SURFnet heeft daarom besloten de huidige status quo te doorbreken die op het mobiele vlak is ontstaan en juist daar ontwikkelingen en innovatie verder aan te jagen. Dit kan zij niet alleen. Ten eerste heeft SURFnet niet de middelen, noch de ambitie om een eigen mobiel netwerk in Nederland of op de campussen uit te rollen. Er zijn voldoende mobiele telecomproviders in Nederland voor een goede marktwerking en het campusnetwerk van de instelling is en blijft onder eigen verantwoordelijkheid. Maar door nauw samen te werken met de onderwijs- en onderzoeksinstellingen en de krachten te bundelen, is het mogelijk samen met mobiele telecomproviders een slag te slaan. Zodat ook het mobiele netwerk barrièrevrije, breedband toegang tot internet geeft.

IPv6
Een andere bottleneck in de innovatie van het internet is het dreigende tekort aan IPv4 adressen. Daarom zal het internet de komende jaren een transitie ondergaan naar het nieuwe internetprotocol IPv6. SURFnet stimuleert al jaren het gebruik van IPv6 bij de kennisinstellingen en neemt deel aan de IPv6-taskforce, waarin ook veel (mobiele) telecomproviders zijn vertegenwoordigd. Net als de ontwikkeling van het mobiele netwerk is de invoering van IPv6 van belang om in de nabije toekomst innovatie en groei van het internet te waarborgen. Zonder IPv6 zijn nieuwe partijen op het internet onbereikbaar vanuit de huidige netwerken. Een gehele invoering van IPv6 in het netwerk is een intensieve en secure onderneming, en voorkomen moet worden dat een ICT afdeling gebruikers alleen een quick fix kan aanbieden. Dat komt de transparantie en betrouwbaarheid van het netwerk namelijk niet ten goede en dat is precies wat SURFnet wil voorkomen. Een onbetrouwbaar en troebel internet remt innovatie voor onderwijs en onderzoek.

Planmatig invoeren van IPv6
De invoering van IPv6 vergt een meerjaren planning. Het kleine aantal nog beschikbare IPv4-adressen biedt onvoldoende ruimte om de tijd te overbruggen totdat IPv6 gedegen en volgens planning in de netwerken is ingevoerd. Grofweg zijn er twee opties. Een snelle, maar minder gedegen invoering naar IPv6 of het gebruik van NAT-technologie om minder publieke IPv4-adressen te hoeven gebruiken. Beide opties zijn onwenselijk vanwege het gebrek aan transparantie van het netwerk, het niet-toekomst vast zijn, en de verwachte onevenredige toename in beheerlast van het netwerk. Zonder extra IPv4-adressen moet er uiteindelijk een keuze worden gemaakt uit twee slechte alternatieven.

SURFnet heeft in de begindagen van het internet, nog voor er regionale adres registries waren, een flink aantal IPv4-adressen gekregen. Hier maken de aangesloten kennisinstellingen gebruik van en er zijn nog ruim voldoende IPv4-adressen om de doelgroep de komende tijd te voorzien. SURFnet wil nu een deel van haar ongebruikte IPv4-adressen samen met KPN inzetten om een gedegen IPv6-invoering mogelijk te maken, die als voorbeeld kan dienen voor de gehele internetgemeenschap. Daarmee helpt SURFnet die gemeenschap, en daarmee ook die van onderwijs en onderzoek, vooruit.

Onderzoekssamenwerking SURFnet en KPN
In een gesprek tussen SURFnet en KPN eerder dit jaar bleek er tussen beide een aantal interessante raakvlakken te zijn op bovenstaande gebieden. Dat heeft geresulteerd in een onderzoekssamenwerking van SURFnet en KPN waarin beide partijen samen kennis en ervaring willen opdoen met de mogelijkheden van nieuwe, zogenaamde 4de generatie, mobiele netwerken en daarbij tevens gezamenlijk een extra stimulans willen geven aan de invoering van IPv6 in Nederland. Dit alles met het hogere doel om het nieuwe werken en leren te bevorderen in hoger onderwijs en onderzoek.

Integratie Wi-Fi en mobiel op basis van eduroam
De onderzoekssamenwerking tussen SURFnet en KPN wordt nog voor het einde van 2011 zichtbaar in een 4G/LTE pilot op een Nederlandse onderwijscampus. In deze pilot wordt de meerwaarde van een LTE-netwerk voor de onderzoek- en onderwijssector onderzocht. In de eerste plaats door een campus-breed dekkend LTE-netwerk uit te rollen op de 2.6 Ghz band. In de tweede plaats zal een zo naadloze mogelijke koppeling worden getest op basis van eduroam credentials tussen het campus Wi-Fi-netwerk met daarachter het SURFnet netwerk enerzijds en het mobiele netwerk anderzijds. Zodat de gebruiker veilig en vertrouwd, dat wil zeggen zonder verstoringen, vrijelijk in beide domeinen kan bewegen.
De pilot zal daarmee in Nederland de eerste 4G-test zijn in een grootschalige productieomgeving en wereldwijd de eerste waarin een zo naadloze mogelijke integratie tussen Wi-Fi en mobiel wordt nagestreefd. Voor SURFnet is het belangrijk dat de informatie die wordt vergaard ter beschikking komt aan de doelgroep en de internetgemeenschap. Maar minstens zo belangrijk is dat deze kennis wordt benut om de barrières voor draadloze toegang voor de doelgroep weg te nemen.

Tot slot
Door samenwerkingen met overheden, bedrijfsleven, partners, providers en kennisinstellingen aan te gaan, kan SURFnet de komende jaren sterk in blijven zetten om te innoveren en daarmee barrières op ICT-infrastructuur weg te nemen die kwaliteit van onderwijs en onderzoek en innovatie remmen. De voorgenomen onderzoekssamenwerking met KPN is hiervan een geslaagd voorbeeld en zal ongetwijfeld navolging krijgen. SURFnet blijft de markt uitdagen.

Bron : www.webwereld.nl & www.surfnet.nl

Samenvatting “Opties voor mobiele infrastructuur kennisinstellingen”

Op 28 juni 2011 vond bij SURFnet een bijeenkomst plaats waarin de opties werden gepresenteerd en geanalyseerd van de toekomstige mobiele infrastructuur bij kennisinstellingen. Er waren ruim 30 aanwezigen, voornamelijk CIO’s van kennisinstellingen. De agenda van deze bijeenkomst was als volgt  (met links naar de gegeven presentaties):

  • 12.00 uur: Ontvangst, met lunch
  • 13.00 uur: Opening door E. Bleumink, directeur SURFnet
  • 13.15 uur: Ontwikkelingen in mobiele netwerken op de campus (F. Panken, SURFnet)
  • 14.00 uur: Een 4G LTE campus netwerk (J.W. Wallenburg, Ericsson)
  • 14.45 uur: Ontwikkelingen in Wi-Fi (F. Panken, SURFnet)
  • 15.15 uur: Pauze
  • 15.30 uur: SWOT analyse van “mobiele campus van de toekomst”
  • 16.30 uur: Kruisen van uitkomsten (SWOT van elk groepje uitleggen)
  • 16.45 uur: Stemmen; welke optie is het meest belovend?
  • 16.50 uur: Knagende vraag: wie wil meedoen aan een trial om de meest belovende optie te realiseren?
  • 17.00 uur: Borrel

De aanleiding voor het organiseren van de bijeenkomst kwam mede voort uit de behoefte van CIO’s van Nederlandse kennisinstellingen om in de ambities voor 2012 meer aandacht te besteden aan draadloze netwerken. SURFnet bestudeert binnen het Gigaport 3 programma de mogelijkheden voor een draadloze infrastructuur waarmee studenten en medewerkers van kennisinstellingen in Nederland goede netwerk toegang krijgen met elk (mobiel) apparaat.

In de opening van de bijeenkomst toont Erwin Bleumink dat de toegenomen afhankelijkheid van de mobiele netwerk infrastructuur zichtbaar is in de ambitie van SURFnet: een draadloze infrastructuur voor alle mensen die zijn aangesloten bij een Nederlandse onderwijs- en/of onderzoekinstellingen. SURFnet heeft contact met een mobiele operator die een LTE-trial wil uitvoeren om te onderzoeken wat deze technologie voor het onderwijs betekent. SURFnet is op zoek naar kennisinstellingen die in deze trial mee willen doen.

LTE is de opvolger van UMTS: de nieuwe netwerk technologie voor publieke draadloze netwerken waarmee hogere download en upload snelheden worden gehaald.

Opties voor LTE netwerken (op de campus)

Een palet aan kansen om de mobiele ambitie van SURFnet te vervullen werd gepresenteerd, uitlopend van het worden van een (mogelijk virtuele) mobiele operator tot het uitzenden van “eduroam” op commerciele hotspots.

In maart is een workshop gehouden onder onderzoekers, docenten en ICT-beheerders om na te gaan welke behoefte er zijn op het gebied van een “draadloze infrastructuur”.

Uit de workshop bleek o.a. dat hoger onderwijs- en onderzoekinstellingen erg afhankelijk zijn van de draadloze in- frastructuur. Dit komt enerzijds omdat studenten en medewerkers tal van apparaten meenemen (smartphones, iPads, laptops) die verbinding maken via het Wi-Fi (eduroam) netwerk en die gebruiken voor netwerk intensieve applicaties, zoals bijvoorbeeld het afspelen van video. Anderzijds worden steeds meer gegevens opgeslagen (en applicaties ondergebracht) in de cloud, wat naast een toenemende afhankelijkheid tevens leidt tot extra belasting van het Wi-Fi netwerk. De invoering van het nieuwe werken en het altijd en overal kunnen en willen studeren, zorgt er o.a. voor dat mensen ook buiten de gebouwen (op de campus) toegang willen hebben tot het draadloze net- werk van een kennisinstelling.

Netwerkbeheerders gaven aan dat de locaties waar veel behoefte is aan een draadloos netwerk, continu veranderen. Hierdoor wordt de Wi-Fi netwerkplanning steeds moeilijker. Een snel draadloos netwerk op de campus was dan ook een vaak gehoorde wens. Mede omdat het bevestigen van Wi-Fi access points in de buitenlucht geen succes blijkt te zijn, is het hebben van (een eigen?) 4G/LTE netwerk voor onderwijs- en onderzoek instellingen een breed gedragen wens. Een dergelijk netwerk is een toevoeging aan de Wi-Fi infrastructuur maar vervangt de Wi-Fi infrastructuur niet. Om continuiteit van sessies te realiseren (van buiten naar binnen en vise versa), zou dit LTE-netwerk dan naadloos moeten samenwerken met het Wi-Fi netwerk.

Concluderend zijn er drie opties opgesteld om LTE-dekking op een campus te realiseren:

1.    Outsourcing: in deze optie selecteert een onderwijs- en/of onderzoeksinstelling een mobiele netwerk operator waarmee een contract wordt opgesteld voor LTE-connectiviteit. Plaat- sing van LTE-antennes op de campus zou een onderdeel van dit contract kunnen zijn, waardoor de verbinding buiten de onderwijsgebouwen wordt verbeterd. Omdat het netwerk van de operator gescheiden is van netwerk van de operator, kan de integratie met het Wi- Fi / eduroam netwerk met deze optie niet worden gerealiseerd. Een voor de hand liggend voordeel van deze optie is dat de campus niet de enige locatie zal zijn waar studenten en medewerkers toegang tot het netwerk krijgen via de LTE-technologie.

2.    Do it yourself: plaats ‘zelf’ LTE-antennes rond de campus en zorg dat die via SURFnet worden ontsloten met overige LTE functionaliteiten. Door de LTE-antennes de frequenties te laten uitzenden van reguliere Nederlandse operators, kunnen studenten en medewerkers toegang tot het LTE-netwerk krijgen zonder dat hiervoor aanpassingen van hun abonnement nodig zijn. SURFnet zal dan contact met operators onderhouden om de authenticatie van de mobiele devices op de gebruikelijke manier te laten verlopen. Omdat de LTE- antennes zijn aangesloten op de ICT-infrastructuur van de kennisinstelling kan de continuïteit van een sessie worden gegarandeerd, als iemand van buiten naar binnen loopt en het mobiele device moet overschakelen van LTE naar Wi-Fi. Omdat op de campus geen gebruik gemaakt wordt van het netwerk van de operator, kan het gebruik buiten de reguliere abonnementsvorm van de operator worden gehouden.

3.    Geen actie ondernemen voor 4G: vertrouw op de evolutie van Wi-Fi en onderneem als kennisinstelling geen actie om mobiele devices via LTE te ontsluiten. Voor netwerkverbinding buiten de gebouwen, vertrouwt de kennisinstelling volledig op de netwerk infrastructuur van Nederlandse mobiele operators.

Op verzoek van SURFnet heeft Ericsson de technische haalbaarheid van optie 2 onderzocht. De conclusie is dat deze optie mogelijk is. Ericsson geeft vervolgens meer uitleg over LTE (wat het kan, wat de status is) en aanvullingen t.o.v. Wi-Fi en de functionaliteiten die in optie 2 door SURF-net, een kennisinstelling en door mobiele operators moeten worden ondersteund. Tevens wordt getoond dat diverse operators UMTS-masten op gebouwen van kennisinstellingen hebben geplaatst. De rest van de middag staat in het kader van het analyseren van de voor- en nadelen, de kansen en bedreigingen van elk van bovenstaande opties.

SWOT analyse van de opties

De aanwezigen splitsen zich op in drie groepjes. Elk groepje met aanwezigen maakt een SWOT- analyse van een van de eerder vermelde opties voor een LTE-netwerk op de campus. Deze SWOT- analyses worden puntsgewijs besproken.

1. “Outsourcing”

Sterkte: eenvoudig m.b.t techniek, eenvoudig realiseerbaar, een contract voor lange periode

Zwakte: onzekerheid toekomst (korte termijn goed maar dekking/snelheid op lange termijn onzeker), toegang lastig, verkeer via provider: minder bandbreedte & mogelijk data limieten, geen controle, geen integratie met Wi-Fi.

Kansen: vraag bundeling mogelijk, kan nu al met 3G technologie, laag risico, kosten besparen (o.a. op Wi-Fi)

Bedreigingen: lock-in: kennisinstelling stelt zich afhankelijk van 1 provider, kosten hoger per gebruiker, stralingsangst.

2.    “Do it yourself”

Sterkte: verbetert binding met studenten, stimuleert nieuw gedrag studenten, zelf controle, betere garantie van de netwerk dienst, sneller dingen mogelijk maken dan de markt dit doet, goede capaciteit op campus, gebaseerd op bestaande abonnementen, goede schaalbaarheid per site en operator, behouden van autonomie bestaande operators.

Zwakte: aanmelden student/gebruiker, geen spraak, niet in binnenstad, onzekerheid LTE- technologie, zelf controle, gebruik van twee technologieën (LTE & Wi-Fi).

Kansen: VoIP, nieuwe diensten (virtualisatie, QoS,), combineren met optie 1, eigen onderzoek toepassen.

Bedreigingen: gezondheidsaspecten, aansprakelijkheid, geen garanties, herinvoeren pico/femto: complexiteit blijft, markt groeit sneller dan we op een campus aankunnen.

3.    “Geen actie ondernemen voor 4G”

Sterkte: Trusted network, autonomie t.a.v. access control, geen financiële drempel, beheer overzichtelijk, rust in de tent.

Zwakte: beperkte plaatselijke dekking, geen gebruik maken van aanbod marktpartijen beperkte investering in belangrijke taak van kennisinstelling.

Kansen: –

Bedreigingen: geen antwoord op toename netwerk gebruik, storingsbronnen nemen toe, ontevreden gebruikers, afhankelijk van devices van gebruikers.

Na afloop werden de SWOT-analyses van elk van de opties gedeeld met anderen. Er werd gestemd over de meest aantrekkelijke optie. Echter vanwege aankondigen van KNMI over het op komst zijnde zeer slecht weer, waren na afloop slechts 6 mensen van de doelgroep over. Hierdoor kan de stemming (een voorstander van optie 2 en vijf voorstanders van optie 3) niet als representatief worden beschouwd.

Bron : Surfnet

Vraag en aanbod Next-Generation Infrastructures 2010 – 2020

Op 16 maart 2010 is door TNO een “Vraag en aanbod Next-Generation Infrastructures 2010 – 2020” rapport gepubliceerd. Hierbij publiceer ik een management samenvatting uit dit rapport :

Achtergrond
Snel en hoogwaardig breedband wordt algemeen gezien als voorwaarde voor een concurrerende, innoverende en duurzame kenniseconomie. Nederland neemt op dit terrein internationaal een koploperspositie in, onder meer gebaseerd op sterke concurrentie in de last mile. In ieder geval staat Nederland in de Europese ranglijst op de eerste plaats. Het Ministerie van Economische Zaken hecht er grote waarde aan deze positie ook in de toekomst te behouden en optimaal te benutten. De verdere ontwikkeling van bestaande en nieuwe breedbandinfrastructuren naar Next Generation Infrastructures (NGI) wordt dan ook gezien als van groot strategisch belang voor de ontwikkeling van  maatschappij en economie als geheel. Dit belang wordt ook door de Tweede Kamer breed gedragen getuige de onlangs aangenomen motie Vendrik-Van der Ham. De hamvraag is hoe op basis van vraag en aanbod de migratie naar deze NGI’s zou kunnen plaatsvinden. Aan de aanbodzijde is sprake van een reeks
technologieën die een rol kunnen spelen in de verdere ontwikkeling van breedbandinfrastructuren en dan met name in het aansluitnetwerk. Er zijn vele scenario’s te bedenken waarin deze technologieën elkaar aanvullen en opvolgen in de tijd. Verschillende vragen zijn relevant ten aanzien van (1) het tempo van migratie, (2) toekomstvastheid, duurzaamheid, openheid en schaalbaarheid van
technologieën en (3) de robuustheid van investeringen. Aan de vraagzijde bestaat ook geen eenduidig beeld. Wel is duidelijk dat breedbandige netwerken van strategisch belang zijn voor de hele BV Nederland, wat betekent dat ook transsectorale ontwikkelingen op het terrein van energie (o.a. smart
grids, slimme meter), zorg (o.a. teleconsultancy, zorg-op-afstand etc.), mobiliteit (o.a. elektrische auto’s, anders betalen voor mobiliteit etc.) en onderwijs en cultuur (o.a. virtueel collectief onderwijs, ontsluiting cultureel erfgoed etc.) een rol zullen moeten spelen in de overwegingen.

Vraagstelling
Het Ministerie van Economische Zaken heeft TNO en Dialogic de opdracht gegeven om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de te verwachten aanbod en vraag in Next Generation Infrastructures in Nederland in 2010, 2015 en 2020. Dit rapport is het resultaat van dat onderzoek, dat zich overigens niet heeft bezig gehouden met marktordening- en reguleringsvraagstukken die in de
grotere vraagstelling wel van invloed zijn. In het onderzoek wordt een, bij stakeholders getoetste, inventarisatie opgeleverd van de aanbod- en behoefteontwikkeling aan capaciteit in Next Generation Infrastructures, uitgaande van de huidige situatie in Nederland en met de focus op vaste netwerken.

Het rapport is onder andere bedoeld als input voor de recent door het ministerie ingestelde Task Force Next-Generation Networks die het ministerie van advies zal dienen over de vraag hoe decentrale overheden een rol kunnen spelen bij de verdere stimulering van breedbandinfrastructuren in Nederland.

Aanpak
Het onderzoek is hoofdzakelijk gebaseerd op desk research waarbij beschikbare openbare bronnen zijn geraadpleegd, aangevuld met expert opinions en professionele inschattingen van de onderzoekers. De bevindingen zijn op hoofdlijnen gevalideerd met een tiental stakeholders aan de vraag- respectievelijk aanbodzijde.

Bevindingen
Ontwikkeling van de vraag naar breedband Er komen steeds meer digitale diensten beschikbaar én de adoptie, diversiteit en afhankelijkheid van
die verschillende diensten neemt toe. Maar minstens zo belangrijk voor het bandbreedteverbruik is het feit dat diensten steeds breedbandiger worden. Dat is met name het gevolg van de integratie van videobeelden in tal van diensten, ook transsectoraal.

Op basis van diverse gerenommeerde bronnen schatten wij dat de vraag naar bandbreedte tussen nu en 2020 op vaste aansluitingen in Nederland exponentieel zal groeien met circa 30% tot 40% per jaar. Dit is een conservatieve inschatting.

Om een aantal redenen hebben wij gekozen voor een betrekkelijk conservatieve schatting. De belangrijkste reden hiervoor is dat er in Nederland nauwelijks meer exogene groei op het vaste net zal plaatsvinden, enkel endogene. De groei zal bijna volledig moeten komen uit ‘Nederlanders die meer gaan internetten’ en niet uit ‘meer Nederlanders die gaan internetten’. Wel valt te verwachten dat
binnen huishoudens het gelijktijdig gebruik nog verder toeneemt. Berekeningen laten een brede marge zien voor de gemiddelde downloadsnelheid in 2020, die neerkomt op 75 Mbit/s – 400 Mbit/s. De onvoorspelbaarheid van het succes van toekomstige diensten en devices die veel bandbreedte gaan gebruiken – zoals Net TV, HD-streaming, cloud computing en HD-teleconferencing – geven een grote mate van onzekerheid aan voorspellingen voor 2020. Hetzelfde geldt voor het versneld aanbieden van grote bandbreedtes als gevolg van grote investeringen in NGN-infrastructuur. We verwachten dat de huidige, vrij sterke bandbreedte-asymmetrie aan de vraagzijde weliswaar minder wordt maar dat asymmetrie een blijvend kenmerk is, met een indicatieve ondergrens van ca 1:5. In principe hoeven asymmetrische accesstechnologieën geen beperking te vormen voor het goed faciliteren van symmetrische diensten zoals HD-videoconferenicing, zolang de upsnelheid voldoende hoog en gegarandeerd is.

Ontwikkeling van breedband infrastructuren tot 2020
Het fiber-kopernetwerk (DSL) en het fiber-coax netwerk (de kabel) zijn nu in Nederland de dominante breedband infrastructuren met een groot bereik en een capaciteitsaanbod dat de vraag volgt en zelfs stimuleert. Full fiber (rechtstreeks FttH) bevindt zich nog in een pril stadium. Internet via dial-up verbindingen zal geleidelijk gaan verdwijnen.

In de beschouwing hoe breedband infrastructuren zich in de toekomst  ontwikkelen in verhouding tot de verwachte vraag, is en blijft capaciteit (downstream/upstream) een belangrijk vergelijkend kenmerk. Echter voor het ondersteunen van een breed pallet aan (essentiële) diensten in een groot
aantal verschillende sectoren, ten behoeve van een zo groot mogelijk dekking van Nederlandse huishoudens is voldoende capaciteit per aansluiting weliswaar een noodzakelijke maar niet voldoende en meest bepalende voorwaarde. Naast capaciteit is vooral openheid een belangrijk technisch maar ook marktorganisatorisch kenmerk. Tot slot is de kostenfactor, als onderdeel van de business case, sterk van invloed op de ontwikkeling van infrastructuren.

Migratiepad 1: DSL richting FttH
Wij verwachten dat al in de komende paar jaar in het fiber-koper netwerk de belangrijke en relatief kostbare stap naar VDSL2 vanuit de straatkast zal moeten worden gemaakt om de vraag te kunnen blijven volgen en qua snelheid concurrerend te blijven t.o.v. de kabel. VDSL2 gaat op termijn zonder
verdere verglazing in toenemende mate tekortschieten voor de gevraagde bandbreedtes in de bovenkant van de markt, maar blijft nog een tijd relevant voor de (omvangrijke) onderkant van de consumentenmarkt. De DSL-migratie koerst op termijn af op een volledige FttH oplossing, al dan niet met nog een Ultimate-DSL tussenstap op de laatste meters koper in geschikte scenario’s. Het tempo waarin de migratie zich voltrekt zal worden bepaald door marktontwikkelingen. Veel meer dan bij de bestaande versies van DSL het geval is geweest zal er in het verdere migratietraject van regionale/lokale differentatie sprake zijn op grond van kostenoverwegingen.

Migratiepad 2: Ontwikkeling kabel
De kabel lijkt de meest graduele migratie naar NGA te zullen doormaken, waarbij de extra investeringen (CAPEX) voor de middellange termijn (2015) relatief het minst zijn. De stap naar HFC Next Generation die qua impact verder reikt dan de zojuist genoemde ADSL->VDSL migratie wordt aanzienlijk later in de tijd voorzien (na 2015). In tegenstelling tot DSL zal kabel niet, of in ieder geval niet binnen de beschouwde periode 2010-2020, uitmonden in een FttH aansluiting vanwege de zeer hoge intrinsieke capaciteit van coax. Openheid is technisch mogelijk maar niet op alle relevante lagen automatisch gewaarborgd.

De huidige wedloop tussen DSL en HFC zal het komende decennium een ander karakter krijgen waarbij geleidelijk HFC en FttH concurrerende proposities worden omdat deze de verwachte groei in de vraag naar capaciteit nog vele jaren kunnen volgen. DSL-technologie over koper kan dat (zonder verdere verglazing) niet in die mate. DSL blijft echter, ook op langere termijn, wel belangrijk voor de “onderkant” van de breedbandmarkt.

Opkomst full fiber
Full fiber netwerken vragen zeer kapitaalintensieve investeringen op de korte termijn en vragen lange adem voordat nationale dekking is bereikt (minimaal 10 jaar, waarbij 100% dekking niet realistisch/rendabel wordt geacht). Intussen wordt door KPN, Reggefiber en door andere partijen binnen de telecomsector niettemin vaart gemaakt met volledige FttH met een groeitempo (streefgetal)
van ca 600.000 homes passed per jaar. Ook partijen buiten de telecom sector filosoferen over nieuwe full fiber netwerken. Full fiber uitrol zal naar verwachting lokaal/regionaal zijn gedifferentieerd. Open toegang is technisch geen issue maar is niet automatisch gegarandeerd.
De FttH propositie (via DSL migratie en/of via full fiber implementatie) leunt op de “oneindige bandbreedte” belofte. Dit aspect kan FttH ondanks de kosten van aanleg in de toekomst een belangrijke competitief voordeel geven ten opzichte van HFC. Ook volledige symmetrie bij FttH is een unique selling point ten opzichte van DSL en HFC.

Relevantie Broadband Wireless Access
Bij dit alles speelt BWA, althans in Nederland, een hoofdrol in mobiel breedband maar het speelt geen rol van betekenis als alternatieve infrastructuuroptie voor vast breedband op grotere schaal. Wel is BWA met de noodzakelijke aansluiting van basis stations van 3G/4G netwerken juist mede verantwoordelijk voor de toenemende capaciteitsvraag op het vaste aansluitnetwerk. Het verwachte
effect van regionale differentiatie kan in het bijzonder nadelig uitpakken voor rurale gebieden. BWA is mogelijk een acceptabel alternatief. Daarvoor zal moeten worden aangetoond of BWA in rurale gebieden een relatief aantrekkelijke bandbreedtepropositie kan bieden op basis van een positieve
business case.

Aldus verwachten wij, waarschijnlijk al ruim voor 2020, een vernieuwd landschap waarin HFC, FttH/DSL en FttH/Full Fiber in onderlinge regionaal/lokaal verschillende verhoudingen concurreren.
De rol van BWA is en blijft daarin relatief bescheiden en kan wellicht van betekenis blijken voor rurale gebieden waar aanleg/upgrading van vaste aansluitnetwerken zeer kostbaar is.

Auteur(s) : TNO Informatie- en Communicatietechnologie en Dialogic

Bron : http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/03/16/next-gen-infrastructures.html